SCREENING / MATCHING

1. Onderzoeksvraag

Op welke manier kunnen leerlingen en bedrijven op de correcte manier gematcht worden?

Wanneer duaal leren ingericht wordt op een school, is een van de eerste problemen: de juiste leerlingen en de juiste partnerbedrijven vinden en deze aan elkaar koppelen. Vandaar dat hier al heel veel studiemateriaal rond bestaat. Het is niet onze bedoeling geweest om iets nieuws uit te werken rond dit thema, maar eerder om bestaande tools te vergelijken en te onderzoeken of er reeds een pasklaar antwoord op de markt is.

2. Screening mentor

Wat de mentoren betreft, was voor ons de selectie minder moeilijk dan de selectie van de studenten. We hebben hiervoor een gezamenlijke meeting gepland met alle werknemers die hiervoor geïnteresseerd waren en met hen het vacaturebericht overlopen om hen te informeren wat we precies van hen verwachten.

Vervolgens hebben de kandidaten allemaal een individueel gesprek gehad met de HR Business Partner en hun leidinggevende om verder in te gaan op hun motivatie en hun mentaliteit om dit tot een goed einde te brengen. De rol van de mentor bestaat er immers in om erop toe te zien of de leerlingen op een correcte wijze hun competenties onder de knie krijgen en zich goed voelen in de werk-/leeromgeving en in het team. De mentor moet ook aandacht besteden aan de aanwezige talenten, het potentieel en de ambities van de leerlingen. Maar natuurlijk waren er vele vragen en wisten de mentoren niet goed wat ze ervan moesten denken, vooral omdat het voor ons als bedrijf ook onze eerste kennismaking was met dit soort van "werkplekleren".

    Belangrijke factoren die het succes van de mentor kunnen bepalen zijn:
  • Open kunnen communiceren
  • Positieve feedback kunnen geven
  • Beschikken over inlevingsvermogen
  • Kunnen op de gepaste wijze met macht omgaan
  • Uiteindelijk zorg je er als mentor voor dat de studenten kunnen evolueren en groeien naar zelfstandige, assertieve en arbeidsrijpe jong-volwassenen.
2.1. Bedrijf
Onderzoeksvraag

Hoe start je als bedrijf met duaal leren en hoe loopt de procedure voor registratie en voor "selectie, screening & matching"?

Wat (bestaande praktijken, voorbeelden, ...)
Vynova werkt al geruime tijd met verschillende scholen samen om stageplaatsen aan te bieden. Het traject van duaal leren voor de Chemische Procestechnieken was echter nog nieuw en het ESF project waar we ingestapt zijn, legde nog wat extra druk op iedereen om het toch "goed aan te willen pakken". Maar hoe moesten we ons dit voorstellen? Wat konden we verwachten van de leerlingen? Hoe zat het programma precies in mekaar? Allemaal vragen waar we op dat ogenblik geen antwoord op konden bieden...

Maar de tijd was wel erg kort, dus we moesten van start gaan en zo snel mogelijk in een zo kort mogelijke tijdspanne, alles geregeld zien te krijgen: registratie, gesprekken met de verschillende afdelingen, agenda's op elkaar afstemmen.... en dit in een periode waar het voor iedereen druk is en waar het sowieso moeilijk is om mensen bij mekaar te krijgen.

Ondertussen waren we bij Vynova al wel bezig met de registratie, wat zeker geen sinecure is. De handleiding voor de erkenningsaanvraag is terug te vinden op de website: https://www.syntravlaanderen.be/duaal-leren, maar de procedure is omslachtig en neemt toch wel wat tijd in beslag. Met name het feit dat er door de Site Manager ondertekend moest worden, was wel een vervelend punt. Om hier toch anders mee om te gaan, werd er bij Vynova gekozen om dit, via een volmacht, door een van onze HR Business Partners te laten doen, maar ook het proces van deze volmacht, was niet zonder slag of stoot... Uiteindelijk kregen we toch nog alles tijdig in orde.

Wanneer je als bedrijf wil instappen in een traject van duaal leren, verwacht je dat dit toch wel wat vlotter zou moeten kunnen en wil je aan een dergelijk proces niet te veel tijd kwijt spelen... Het instappen in een dergelijk traject vergt zeker wel wat moeite van de bedrijven, maar wanneer je dan bij de eerste stap al meteen met zulke zaken geconfronteerd wordt, is het niet denkbeeldig dat "twijfelende" bedrijven op deze manier weer afhaken...

De volgende stap in het proces was dan het plannen van de intakegesprekken met de leerlingen en de mentoren.

Mentoren
Wat de mentoren betreft, was voor ons de selectie minder moeilijk dan de selectie van de studenten. We hebben hiervoor een gezamenlijke meeting gepland met alle werknemers die hiervoor geïnteresseerd waren en met hen het vacaturebericht overlopen om hen te informeren wat we precies van hen verwachten.

Vervolgens hebben de kandidaten allemaal een individueel gesprek gehad met de HR Business Partner en hun leidinggevende om verder in te gaan op hun motivatie en hun mentaliteit om dit tot een goed einde te brengen. De rol van de mentor bestaat er immers in om erop toe te zien of de leerlingen op een correcte wijze hun competenties onder de knie krijgen en zich goed voelen in de werk-/leeromgeving en in het team. De mentor moet ook aandacht besteden aan de aanwezige talenten, het potentieel en de ambities van de leerlingen. Maar natuurlijk waren er vele vragen en wisten de mentoren niet goed wat ze ervan moesten denken, vooral omdat het voor ons als bedrijf ook onze eerste kennismaking was met dit soort van "werkplekleren".

    Belangrijke factoren die het succes van de mentor kunnen bepalen zijn:
  • Open kunnen communiceren
  • Positieve feedback kunnen geven
  • Beschikken over inlevingsvermogen
  • Kunnen op de gepaste wijze met macht omgaan

Uiteindelijk zorg je er als mentor voor dat de studenten kunnen evolueren en groeien naar zelfstandige, assertieve en arbeidsrijpe jong-volwassenen.

mentoring
Figuur 1 door Trueffelpix

3. Screening leerling
3.1 Arbeidsrijpheid
a. Definitie arbeidsrijpheid
Een jongere die gemotiveerd is om bepaalde competenties te verwerven op de werkplek is arbeidsbereid. Een jongere is arbeidsrijp als hij in staat is competenties te verwerven in een opleiding die vooral neerkomt op leren op de werkplek en als hij gemotiveerd is om dit te doen.
b. Definitie quasi–arbeidsrijpheid

Quasi-arbeidsrijpe jongeren zijn jongeren die nog niet in staat zijn om op de werkplek te leren volgens de definitie van duaal leren. Via een ‘aanloopfase’ kunnen ze de nodige competenties verwerven om in een volwaardig duaal traject te stappen. De aanloopfase voor deze jongeren wordt door de trajectbegeleider op maat en in samenspraak met de jongere uitgetekend.

matching screening
Figuur 2 door Vynova

Deze fase kan verschillende vormen van competentieversterking en verdere onderwijsloopbaanbegeleiding omvatten. (Technische en/ of generieke competenties) Deze jongeren moeten via een aanloopfase kunnen instromen naar trajecten die voor duaal leren uitgetekend zijn.

3.2 Meetmethoden
a. Softskills

Bij het screenen van de leerling moet aan volgende vier elementen voldaan worden:

    Objectiviteit
  • Objectieve gedragingen noteren
  • Observaties door meerdere personen: om eenzijdige beeldvorming tegen te gaan, moet je ervoor zorgen dat een leerling door meer dan 1 leerkracht geobserveerd wordt.
  • Overleg tussen observatoren: bespreek de leerling met alle observatoren en wissel informatie uit met elkaar. Zo kom je tot een zo volledig mogelijk en genuanceerd beeld.
    Standaardisatie
  • Bepaal een norm en leg deze vast voor iedereen.
  • Geef elke kandidaat dezelfde instructies.
    Betrouwbaarheid
  • Veel opdrachten: voorzie opdrachten/vragen per competentie die je wil meten. Stel niet slechts 1 vraag per onderdeel, hier kan je geen onderbouwd oordeel over vellen.
  • Diverse opdrachten: voorzie diverse opdrachten per competentie. Niet elke leerling leert op dezelfde manier, of kan leerstof op dezelfde manier etaleren.
  • Diverse tijdstippen: voorzie momenten op verschillende tijdstippen. Iedereen heeft al eens een mindere dag, houd hier rekening mee!
    Validiteit
  • Doelgericht werken: je vragen en opdrachten moeten steeds een welbepaald doel voor ogen hebben.
  • We hanteren de term “matching” in plaats van “screening” omdat we ernaar streven voor elke leerling een geschikt bedrijf te vinden en omgekeerd. In het onderzoek naar bestaande screenings- en intake instrumenten ontdekten we vormen die, al dan niet gecombineerd, zeer goed bruikbaar zijn.

Een goede matching is noodzakelijk voor alle partijen! We onderscheiden 3 onderdelen die bij matching aan bod moeten komen: motivatie en arbeidsrijpheid, mentor – leerling relatie en technische kennis.

b. Kickstart

Kickstart is een methode ontwikkeld met ESF-middelen. Via een vragenlijst krijgen jongeren op een snelle manier een duidelijk zicht op de werkkwaliteiten die ze reeds verworven hebben. Ze ontvangen na het beantwoorden van de vragenlijst een persoonlijk coachingsplan dat hen complimenteert met de kwaliteiten waarover ze reeds beschikken en hoe ze deze nog kunnen verbeteren. Bovendien bevat dit coachingsplan ook concrete tips en feedback om, samen met de begeleider of trajectcoach, aan de slag te gaan en de benoemde aandachtspunten verder aan te pakken.

De leerkrachten en trajectcoaches krijgen een overzicht van de klas of groep die ze begeleiden. Aansluitend zijn er een hele reeks gepaste begeleidingstools en coachingsmethodieken voorzien. Het nadeel van deze methode is dat leerlingen geneigd zijn om sociaal wenselijke antwoorden te geven op de meerkeuzevragen. Hieruit kunnen verkeerde conclusies getrokken worden in verband met de arbeidsrijpheid en -bereidheid van de jongere. Het verkeerd gebruik van deze meerkeuzetest kan op deze manier net leiden tot een mismatch tussen leerling en duale richting. Vandaar dat we op zoek gegaan zijn naar een ander instrument.

c. ICE

In deze methode worden een aantal cases voorgelegd aan de leerlingen. De casussen zijn gebaseerd op de VDAB-werkcompetenties en de competenties van Kickstart. Door met open vragen te werken, kunnen de leerlingen niet meer kiezen voor het sociaal wenselijke antwoord, maar krijgen we de effectieve gedachtengang, beweegreden en authentieke reacties als antwoord. Bovendien wordt de uiteindelijke score op de indicator van arbeidsrijpheid en -bereidheid niet automatisch weergegeven. Om dit te ondervangen en er toch maximaal voor te zorgen dat je de antwoorden adequaat en kwaliteitsvol kan interpreteren, werd er een kijkwijzer ontwikkeld om de antwoorden te toetsen en zo het level van arbeidsrijpheid en- bereidheid te bepalen. Om voor eenvormigheid te zorgen, werd hier geopteerd om te werken met dezelfde termen als bij Kickstart, nl. ‘Kickstart-level’, ‘Mid-level’ en ‘Start-level’.

We stellen voor om op school de ICE-methode toe te passen. Het voordeel is dat leerlingen minder stress zullen ervaren voor een informeel gesprek met enkele leerkrachten en dat ze omwille van de open vragen niet kunnen kiezen voor het “juiste” (sociaal wenselijke) antwoord. Dit konden we ervaren tijdens een intakegesprek bij leerlingen van Elektromechanische technieken. Deze test is zeker bruikbaar om advies te geven i.v.m. arbeidsrijpheid, om klassikaal of in kleine groepjes rond een bepaald probleem te werken en om leerlingen bij te sturen in de loop van het traject. De test mag echter niet dienen om negatief advies te geven om een leerling toe te laten tot het duale traject.

Beter zou zijn om deze test met een aantal cases meerdere malen af te nemen bij leerlingen doorheen hun schoolloopbaan. Op die manier kan er een beter beeld gevormd worden van elke leerling, maar wordt tevens ook het groeiproces van de leerling in kaart gebracht. Het is voor elke leerling een meerwaarde om zichzelf beter te leren kennen. Vandaar willen we aanraden om deze test (of een afgeleide ervan) in de leerplandoelstellingen op te nemen voor alle leerlingen in de eerste, tweede en derde graad van het secundair onderwijs.

De component ‘Duaal leren’ kan dan getest worden indien de leerling interesse heeft om in een volgend schooljaar in een duaal traject te stappen.

Belangrijke opmerking: buiten de geteste onderwerpen “Duaal leren”, “Planning & prioriteiten”, “Samenwerken”, “Voorkomen”, “Betrouwbaarheid & stiptheid”, “Luistervaardigheden”, “Inlevingsvermogen” en “Assertiviteit”, is het eveneens belangrijk te peilen naar zelfstandigheid!

d. Technische voorkennis

Bij een andere school waar ze chemische procestechnieken organiseren, namen ze 3 jaar na elkaar andere testen af. Dit jaar kregen leerlingen die niet slaagden de opdracht om een zomercursus te volgen en nadien kregen ze opnieuw de kans om een test af te leggen. Voor leerlingen die laat (eind augustus/ begin september) inschrijven, is een zomercursus volgen geen optie meer.

Het is belangrijk dat leerlingen het algemene leerdomein beheersen. Leerlingen zonder relevante voorkennis passen niet in een opleiding duaal leren omdat ze niet alles alleen verwerkt krijgen. Zij kunnen eventueel wel in het reguliere systeem terecht. De technische kennistest is belangrijk om de kwaliteit te verhogen. Het zou een meerwaarde zijn als er voor alle scholen een uniforme test is. Huidige situatie: nadat een leerling zich inschrijft, geeft de school advies over zijn/haar arbeidsrijpheid waarna de leerling 20 lesdagen de tijd heeft om een werkplek te vinden. Nota aan het ministerie van onderwijs : de inschrijvingsmogelijkheden om in te schrijven voor duaal leren zouden strenger moeten zijn.

Uit eigen ervaring blijkt dat de technische kennis de minst doorslaggevende factor is in de matching.

Dit schooljaar gebeurde de matching bij ons pas in oktober. We merken op dat dat te laat is en zouden graag de matching voor volgend schooljaar al op het einde van dit schooljaar willen doen. Maar wat dan met de instroom van leerlingen die niet slaagden in het hoger onderwijs? Vaak zijn dat de betere leerlingen.

We zouden dit kunnen oplossen door in verschillende rondes te werken; bv 1 ronde op het einde van het huidige schooljaar en 1 ronde bij de start van het nieuwe schooljaar. Voorwaarde is dan wel dat de bedrijven een aantal beschikbare plaatsen voorzien, zowel voor ronde 1 als voor ronde 2, want het mag niet de bedoeling zijn om een leerling die gematcht werd tijdens de eerste ronde plots te weigeren omdat er een “betere” kandidaat uit ronde 2 kwam. We kunnen vragen of de bedrijven een minimum en een maximaal aantal leerlingen accepteert.

Het grote voordeel van werken in verschillende rondes is dat een leerling, die geen match vond bij een 1e ronde misschien wel een match vindt tijdens de 2e ronde. Belangrijk is dan wel dat alle leerlingen feedback krijgen, waaruit ze kunnen leren en conclusies trekken voor een volgende ronde.

De ervaring leert dat speeddating (op 1 dag alle gesprekken met alle bedrijven) geen goede methode is. Voor de leerlingen brengt dit veel stress met zich mee en ze maken telkens opnieuw dezelfde “fout”. Ze krijgen dan geen kans om zich te “verbeteren”.

4. Matching mentor - leerling
4.1 Algemeen

De oefening is niet ten einde als de leerling als arbeidsrijp wordt gezien. Minstens zo belangrijk is de matching met de mentor en het bedrijf.

  • Wil hij/zij in een groot bedrijf met +100 werknemers werken, of eerder in een kleinschalig bedrijf?
  • Wil de leerling in ploegen werken? Met welk regime?
  • In welke tak van de chemische industrie wil hij/zij terecht komen? (pharma-, petro-, bio- of basischemie)
  • Wil hij/zij in een clean room werken, in een ruwe werkomgeving, vooral binnen of liever buiten?
  • Is de leerling introvert, ondernemend, bescheiden…

In eerste instantie is het de taak van de school om leerlingen voldoende in te lichten over de verschillen tussen de bedrijven. In kader van dit project hebben we met mogelijke kandidaten van onze huidige leerlingen verschillende bedrijfsbezoeken gedaan. Op deze manier konden we een ruw beeld schetsen van de verschillende takken in de chemische industrie, maar omdat het niet mogelijk was alle bedrijven te bezoeken, kregen de leerlingen nog geen zicht op de bedrijfscultuur.

Voor de opleiding chemische procestechnieken duaal kan een ‘duale jobbeurs’ georganiseerd worden. De richting is niet ontzettend groot en dus is het aantal bedrijven eerder beperkt. Het grote voordeel hiervan is dat alle kandidaat-bedrijven en -studenten samengebracht worden in één ruimte. De leerling kan op deze manier kennis maken met bedrijven waar hij/zij anders nooit mee in contact zou komen en/of die hij/zij niet meteen zou kiezen als opleidingsplaats.

Het kan volgens ons niet de bedoeling zijn om op deze dag de matching af te ronden. Het is eerder een verkennend gesprek waarbij de leerling een eerste indruk krijgt van de bedrijfscultuur en de werkomstandigheden in dat bedrijf. Aan de hand van deze informatie kan hij/zij later bepalen bij welke 3 bedrijven hij/zij op gesprek wil gaan.

Het eerste nadeel hiervan is dat leerlingen heel weinig tijd hebben om een geschikt bedrijf te vinden. De jobbeurs kan om logistieke redenen niet plaatsvinden op de eerste schooldag, ten vroegste op de vierde of vijfde. Hierdoor gaan er al 5 van de 20 schooldagen verloren om een geschikt bedrijf te zoeken. (Een duale leerling heeft wettelijk gezien slechts 20 lesdagen om een geschikt bedrijf te vinden en het contract te ondertekenen. Bij wettige afwezigheid wordt deze periode verlengd). In deze korte periode moeten zowel de leerling als de bedrijven de tijd krijgen om gesprekken te organiseren.

Een tweede nadeel van dit systeem is dat er geen mogelijkheid tot herkansen bestaat. Op gesprek gaan, je voorbereiden, de mogelijke testen in het bedrijf… het vraagt veel van de leerlingen. Meerdere leerlingen zouden de mist in kunnen gaan door faalangst/stress. Indien een leerling slechts over een korte periode beschikt om een bedrijf te vinden voor zijn duale opleiding, heeft hij/zij niet de kans om van een gesprek een leermoment te maken. De student wordt beoordeeld op één gesprek terwijl we gemerkt hebben dat leerlingen die een tweede of derde kans krijgen het er veel beter vanaf brengen.

We kunnen dus concluderen dat de ‘jobbeurs’ veel vroeger zou moeten plaatsvinden, bv. in mei van het voorgaande schooljaar. Indien leerlingen dan al een studiekeuze gemaakt hebben, kunnen ze beter ingelicht worden, kunnen ze zich beter voorbereiden, …
Het probleem hierbij is echter dat niet alle leerlingen zo vroeg een studiekeuze maken. Opnieuw kunnen we stellen dat hier in de voorgaande schooljaren ook al aandacht aan besteed moet worden. Dit betekent dat leerlingen ingelicht worden, opgevolgd worden i.v.m. arbeidsrijpheid, een proefstage doorlopen … Mits grondige voorbereiding zijn wij ervan overtuigd dat leerlingen veel vroeger een goede studiekeuze kunnen maken. Voor late beslissers, kan er dan nog in september een gesprek georganiseerd worden met een of meerdere bedrijven. Voor leerlingen die in de eerste ronde geen geschikt bedrijf vonden (slecht gesprek, niet goed voorbereid, stress,…), kan dit ook een moment zijn om, met de nodige ondersteuning, een tweede keer op gesprek te gaan.

In een testcase in het 5de jaar Elektromechanische technieken boekten we zeer goede resultaten met een IBAL-traject. Hierbij werd een leerling individueel begeleid naar het duale traject. De focus van deze begeleiding lag op arbeidsrijpheid en niet op het technische aspect van de opleiding. Na een goed gesprek stopt het matchingproces nog niet. Wanneer de leerling arbeidsrijp bevonden is, een bedrijf gevonden heeft waar hij/zij werkplekleren kan doen, komt misschien het belangrijkste onderdeel van de matching: een goede combinatie leerling - mentor vinden.

Hiervoor kunnen we de DISC-methode gebruiken. De beste match krijg je wanneer je 2 personen met hetzelfde profiel samen zet. Aangezien de ideale combinatie moeilijk te vinden is, gebruiken we het resultaat van deze test best niet om een leerling al dan niet te selecteren. Bovendien zijn de mentoren in dit stadium vaak nog niet gekend of worden ze nog gewijzigd in de loop van het schooljaar.

DISC
Figuur 3. Disc methode door Dr. William Martson

Bij BASF deden ze deze test ook, maar stelden ze vast dat er slechts een beperkte meerwaarde was wanneer mentoren vooraf het profiel van een leerling kenden. Deze test kan wel een goed hulpmiddel zijn om de eerste stappen vlot te laten verlopen. Voor de mentor is het belangrijk om een leerling beter te begrijpen. (bv. Waarom reageert een leerling op een bepaalde manier?) Voor de leerling zelf betekent het eveneens een meerwaarde omdat hij/zij zichzelf op deze manier beter leert kennen en meer inzicht in zichzelf krijgt. Ook wanneer er geen match gevonden werd, is deze test voor de leerling een belangrijk instrument. (Welk gedrag vertoon ik? Hoe zien anderen mij?...)

Wanneer een leerling op werkplekleren is, doet hij aan zelfstudie. Dit betekent niet dat hij de leerstof alleen moet verwerken. Bij duaal leren gaat het er net om dat de leerling hierbij geassisteerd wordt door de mentor. Het zou een pluspunt zijn als de mentor bij het intakegesprek aanwezig is. De leerling krijgt dan een andere indruk dan wanneer hij enkel bij HR op gesprek gaat. Met de resultaten van de DISC-test omgaan vereist een degelijke opleiding. Misschien kan dat bij Covalent mee geïntegreerd worden in de mentoropleiding?

4.2 Werkwijze Vynova
Matching Studenten

Bij Vynova hebben wij ervoor gekozen om een vrij uitgebreide "matching" of "screening" te gebruiken. We hebben dezelfde manier van assessment gebruikt die we bij een normale sollicitatieprocedure gebruiken, mits een aangepast niveau. Deze procedure bestaat uit drie delen en neemt in zijn totaliteit bijna een hele dag in beslag.

Opmerking: Deze testen worden qua niveau natuurlijk aangepast naar het niveau van de leerlingen.

    Individueel ‘selectiegesprek’, gericht op competenties, waarbij volgende punten aan bod komen
  • Motivatie
  • Ingesteldheid
  • Mentaliteit (match met cultuur binnen het bedrijf)
  • Arbeidsrijpheid

    Individueel gesprek student met leidinggevende en mentor
  • Technische proef: algemene chemische en technische kennis, maar ook redeneren en oplossingsgericht denken

De periode om deze gesprekken te plannen was veel te kort; alle betrokkenen moesten hun agenda's aanpassen om toch maar alles ingepland te krijgen en zeker voor deze fase is het belangrijk dat er meer tijd voor wordt uitgetrokken. Meteen van bij de start van het schooljaar (indien mogelijk zelfs nog vroeger) zouden de afspraken moeten gemaakt kunnen worden, om toch de nodige tijd ervoor te kunnen uittrekken en de studenten een gevoel te geven dat er ook echt tijd voor hen werd vrijgemaakt. Het aftasten of een student ook "past" binnen het bedrijf en de juiste normen, waarden en visies hanteert die voor de bedrijven belangrijk zijn, leer je namelijk niet uit wat testen, maar kan je alleen maar afleiden uit de persoonlijke gesprekken met de student.

Na het gesprek werden de bevindingen onderling besproken en werd de student voor een eerste maal "geëvalueerd" en op een gezamenlijke sessie met de andere bedrijven, werden de studenten toegekend aan de verschillende bedrijven. In de mate van het mogelijke, werd er rekening gehouden met de voorkeur van de student, maar zeker ook met de "klik" die er was met de bedrijven. Het positieve was, dat op deze manier de eerste indruk van de bedrijven getoetst kon worden aan de bevindingen en de ervaringen die de school reeds had met de student, maar daar tegenover staat wel het feit dat het een zéér intensieve periode was, zowel voor de studenten als voor de bedrijven.

De volgende stap was de leerlingen en hun ouders de concrete info bezorgen middels een infosessie. Deze kon pas in oktober plaatsvinden, wat naar ons gevoel al veel te laat was. De infosessie op zich was zeker een positief punt in het hele stappenplan en is dan ook ten zeerste aan te raden naar andere scholen / bedrijven toe: de leerlingen krijgen info van de verschillende betrokken partijen, maar ook de info van de sectorfederatie Essenscia werd zeer gesmaakt. Op een ongedwongen manier konden de leerlingen, mentoren, trajectbegeleiders, personeelsdiensten, ... met elkaar kennismaken en vragen stellen. Het ijs was gebroken en het eerste "aftasten" was gebeurd.

5. Ervaringen
5.1 Arbeidsrijpheid

Arbeidsrijpheid is een proces dat de jongere doorloopt over verschillende jaren. Dat betekent dat deze ‘test’ geen momentopname mag zijn, maar dat dit gespreid moet worden over een langere tijd. Op deze manier krijgt de leerling een zicht op de evolutie die hij/zij doormaakt door de jaren en op de karaktertrekken die misschien nog wat extra aandacht verdienen. Voor de leerkrachten is het ook een handig hulpmiddel om de leerlingen op te volgen en te begeleiden waar nodig. Indien dit op een correcte manier gebeurt, zijn we ervan overtuigd dat veel meer kandidaten geschikt zijn voor het duale systeem. Dit komt ten goede van de leerling, de leerkracht, de richting en uiteindelijk de bedrijven.

Als hulpmiddel voor de opvolging van arbeidsrijpheid raden we de ICE-tool aan die ontwikkeld is met ESF-middelen. Deze zou echter aangepast moeten worden om andere en/of meerdere attitudes te meten. Het gebruik van open vragen gespreid over meerdere periodes zal een duidelijk beeld geven over de arbeidsrijpheid van de leerling. Deze opvolging met behulp van de ICE-tool vraagt wel enige ervaring en deskundigheid. Het is raadzaam om een korte opleiding te volgen over deze tool.
ICE-model

5.2 Technische (voor)kennis

De technische voorkennis van de leerling is misschien het minst belangrijke aspect van de matching. Uit ervaringen vanuit de verschillende scholen is het niet de technische kennis die de doorslag geeft, maar het vermogen om leerstof op te nemen. Dit kan getest worden door het inzicht van de leerling te testen. Er zijn meerdere mogelijkheden om dit te testen. Vynova heeft dit door middel van psychotechnische testen gedaan.

Deze testen zijn voor een school niet betaalbaar. Hierdoor zijn de bedrijven verantwoordelijk voor deze testen. Het gevaar schuilt erin dat verschillende leerlingen een verschillende test krijgen, waardoor een vertekend beeld kan ontstaan. We willen nogmaals benadrukken dat een intakegesprek nooit een sollicitatiegesprek mag zijn. Leerlingen hebben nog een volledig schooljaar om technische kennis op te doen.

5.3 Matching mentor - leerling

Dit is waarschijnlijk de moeilijkste stap in het proces. Er is zeer weinig tijd om een goede matching tussen enerzijds de leerling en anderzijds de mentor en het bedrijf op te bouwen. In een korte periode van slechts 20 lesdagen is er heel veel werk, voor alle partijen.

De eerste stap in dit proces bestaat erin om de leerling in te lichten over de verschillende bedrijven, de culturen, de werkregimes, de tak in de chemische industrie en eventueel de producten. Deze taak is voor de begeleidende leerkracht weggelegd. Op deze manier zijn leerlingen al een beetje voorbereid op de ‘jobbeurs’ die al tijdens de eerste schoolweek georganiseerd wordt.

De tweede stap is de ‘jobbeurs’. Alle bedrijven en alle leerlingen komen samen op één plaats. Dit is het uitgelezen moment voor leerlingen om een eerste gesprek te hebben met de bedrijven waar hij/zij het meest een connectie mee voelt. Dit gesprek kan zorgen voor verduidelijking bij de leerling en de leerling kan meteen een moment vastleggen voor het intakegesprek op het bedrijf.

De derde stap is het gesprek tussen de leerling en de mentor van het bedrijf van zijn/haar keuze. Deze gesprekken mogen in geen geval als sollicitatiegesprek georganiseerd worden. Leerlingen komen om te leren en niet om hun kennis te etaleren. Bedrijven moeten momenten inplannen in de tweede en derde week van het schooljaar om met kandidaat-leerlingen een gesprek aan te gaan. Ronde 1 van de gesprekken kan doorgaan in de tweede week van het schooljaar en ronde 2 in de derde week. Bedrijven geven op voorhand aan hoeveel studenten ze willen opleiden en reserveren plaatsen voor de eerste en voor de tweede ronde. Het is uitermate belangrijk voor de leerlingen om goede feedback te krijgen omtrent het gesprek. Met deze feedback kunnen leerlingen samen met de leerkracht aan de slag om een volgend gesprek voor te bereiden in ronde twee.

 

COACHING

1. Onderzoeksvraag

Op welke manier kunnen we ervoor zorgen dat leerlingen op de best mogelijke manier begeleid worden, dat ze beschermd worden en het best voorbereid worden op de arbeidsmarkt.

2. Werkwijze Vynova

Op welke manier kan je er als mentor voor zorgen dat de student tot zijn volle ontplooiing komt en dat de student verder gaat dan zijn comfortzone?

Bij Vynova zijn er in september 2 leerlingen in het duale traject gestapt die beiden op de MVC-afdeling werden “geplaatst”. Helaas hadden we de pech dat een van hen al in het begin van het eerste werkpleklerenblok (ttz. november) het gevoel had dat dit niet echt z’n ding was en dat hij besloot om meteen te stoppen met zijn studie. Hierdoor bleef er slechts één student over, maar ook deze heeft zijn volledige traject niet doorlopen en is hij ondertussen gestopt met zijn school. Van de 6 plaatsen die we initieel hadden aangeboden, werden er dus 2 plaatsen ingevuld, maar zijn we eigenlijk niet tot de eindmeet geraakt.

Wat is hier misgelopen…??

Bij aanvang werd in het bedrijf dit project aanzien als een “veredelde” stage. De leerlingen zouden geen zeven of acht weken in het bedrijf stage lopen, maar zij zouden gedurende drie blokken van vijf weken meelopen met de normale ploegen, hetzij dus in een volcontinu ploegensysteem. Bovendien wisten de leerlingen totaal niet wat ze moesten verwachten van dit volcontinu systeem en beseften ze niet de impact die zoiets heeft op hun sociale leven. Regelmatig nachtshiften tijdens het weekend, terwijl hun vrienden op stap gaan… Niet eenvoudig voor jongeren om dat op te geven om de dag nadien fris en monter op de werkplek te kunnen verschijnen. De opoffering die ze moesten doen, werd hen echter gauw (al dan niet pijnlijk) duidelijk.

Als leerdoelen werd er gesteld dat de student het productieproces moest aanleren en de daarbij gebruikte tools (pompen, kleppen, enz…) moest leren bedienen. De ervaring heeft echter uitgewezen dat hier veel meer achter zit en dus ook meer tijd in kruipt dan bij de reguliere student die stage loopt en een GIP moet maken. Het takenpakket van deze studenten is enorm uitgebreid en heel divers: er worden een heleboel doelstellingen verwacht op andere gebieden (instrumentatie, elektrisch en mechanisch) en de coördinatie hiervan is niet altijd even makkelijk.

Bovendien ligt de verantwoordelijkheid voor de mentor-begeleider een stuk hoger dan bij de reguliere studenten.

Sectorfederatie essenscia heeft de aanzet gegeven tot een projectcharter Duaal Leren, maar vanuit onze ervaring hebben wij toch wel wat bedenkingen bij een aantal formuleringen.

We toetsen enkele richtlijnen vanuit het charter aan onze opgedane ervaring:

  • "De onderneming staat in voor het aanleren van competenties van de opleiding op een werkplek."
Dit is ons inziens een zeer ruime omschrijving, maar van instructeurs kan men niet verwachten dat zij, buiten hun dagdagelijkse werkzaamheden, ook nog het hele takenpakket en doelstellingen van de student kunnen aanleren en/of begeleiden. Vanuit die ervaring zijn wij begonnen met een “peterproject”, maar daarmee kunnen we nog steeds niet volledig tegemoetkomen aan dit engagement, gezien ook zij nog steeds hun eigen dagtaak moeten vervullen. Het is het begin van een oplossing, maar dit dient zeker verder uitgewerkt te worden.

Als instructeur hebben wij misschien dan wel voldoende kennis van de eigen afdeling, maar de minder bekende terreinen, daarvoor moet de student z’n plan maar trekken via zelfstudie of internet. Dit aspect is ook voor een stuk inherent aan het duaal leertraject, maar in de praktijk richt de student zich met vragen toch meestal tot de mentor. Afhankelijk van het engagement van de mentor, zal deze zich dan eerst willen informeren om de student toch verder te helpen, of anderzijds meteen de student verwijzen naar het aspect van de zelfstudie en hem naar zelfontwikkeling gaan sturen.

Voor beide opties is er natuurlijk wat te zeggen; het ene stimuleert de zelfstandigheid en de discipline om zelf de doelstellingen te bereiken die noch op school, noch op het bedrijf worden aangereikt; het andere stimuleert dan weer de assertiviteit en de maturiteit om te laten zien dat hij echt wel wil leren van de ervaringsdeskundigen.

  • "De onderneming is betrokken bij de evaluatie van de leerling."
Dit is een zeer gevoelig en subjectief gegeven. Er rust hier een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van de mentor… Hij bepaalt bij wijze van spreken of een student bekwaam is om procesoperator te worden, met name, is de student geslaagd of niet… Deze beslissing wordt natuurlijk genomen in samenspraak met de begeleider vanuit de school, maar toch moeten we hier voorzichtig mee omspringen. Een goede mentor zal zich hier niet laten leiden door subjectiviteit, maar we mogen ook niet onder stoelen of banken steken, dat er altijd een “persoonlijke touch” aan de evaluatie verbonden zal blijven. Dit aspect helemaal uitsluiten is natuurlijk onmogelijk, maar we kunnen de mate van subjectiviteit wel proberen in te perken door de evaluatie en begeleiding voor alle studenten door dezelfde persoon te laten gebeuren. Ideale situatie zou zijn dat er een mentor vrijgemaakt wordt die alle studenten kan begeleiden en dan ook op een objectieve manier kan oordelen.

  • "De onderneming werkt samen met andere bedrijven en scholen aan een gestroomlijnde aanpak van het duale leerproces."
Het duaal leren staat nog in de kinderschoenen, dus er is zeker nog ruimte voor verbetering en optimalisatie! Tijdens ons traject hebben wij op wekelijkse basis overlegmomenten gehad over de voortgang van het project zelf, maar was er tegelijkertijd ook op regelmatige basis een contactmoment tussen mentor - leerling en begeleider. Deze contactmomenten waren minimaal en zouden naar het vervolgtraject zeker mogen verhoogd worden. Het weze wel gezegd dat het niet altijd evident is om deze contactmomenten in te plannen wanneer er in een volcontinu systeem gewerkt wordt.

Verder hebben wij drie plenaire vergaderingen gehad met de andere partners in het project, namelijk St. Carolus, BASF en essenscia.

Tijdens deze plenaire overlegmomenten werd er vooral gewerkt aan de uitwerking van het eindrapport, gebaseerd op hun ervaringen en werkwijzes. Uit deze workshops is er dan ook het charter ontstaan, waarbij essenscia zich wil engageren om vaste richtlijnen te gaan bepalen en bepaalde werkwijzes te gaan uniformiseren.

  • "De onderneming voorziet ondersteuning en opleiding voor de mentoren"

Helaas moet ik hier melden dat ik, buiten één aanvraag tot deelname aan een opleiding bij een externe firma, geen enkele opleiding heb gevolgd om leerlingen te begeleiden of te beoordelen.

Natuurlijk dient er hier kritisch gekeken te worden of deze opleidingen relevant zijn voor alle instructeurs, maar er moet zeker voldoende aanbod zijn om te voorzien in deze competenties.

Als instructeur in een volcontinu systeem is het helemaal niet evident om opleidingen te gaan volgen die meestal plaatsvinden tijdens de “gewone” kantooruren. Wanneer je dan net in die periode in de nachtshift staat en er per schooljaar slechts een paar keer deze opleiding wordt ingepland, wordt het helemaal moeilijk om deze opleidingen te volgen.

Het behoeft natuurlijk geen betoog dat deze opleidingen zeker nuttig zijn voor mentoren en coaches, misschien kunnen deze zelfs als “verplicht” worden gecategoriseerd voor bedrijven die instappen in het duale leerprogramma.

Een van de groeipijnen in dit hele traject, is dat de combinatie school - werkplekleren beter op mekaar dient afgestemd te worden. De app Micoon, die echt niet goed werkte, deed hier zeker nog een schepje bovenop, waardoor er meer en meer frustratie begon te borrelen en er heel veel kostbare tijd verloren is gegaan.

De zelfstandigheid die verwacht wordt van de studenten, is zeker een valkuil waar goed over nagedacht dient te worden op welke manier we dit om kunnen buigen naar een positief aspect. Veel studenten hebben deze zelfstandigheid nog niet helemaal in zich, en zouden positief moeten aangestuurd worden om deze vaardigheid te ontwikkelen. Het lessenpakket is zo uitgebreid dat het voor de student bij aanvang van het schooljaar zeer overweldigend kan overkomen. De mentor kan hierin zeker een grote rol spelen, door regelmatig in overleg te gaan met de student en te kijken waar de pijnpunten zitten. Wanneer we hier de mogelijkheid zouden kunnen hebben om dit in een app op te nemen, slaan we zeker een betere weg in.

Bij Vynova hebben we een proces van “peterschap” opgestart, waarbij een operator een student mee begeleidt. Dit is een onderdeel van een goede oplossing, maar enkel om de student praktijkervaring bij te brengen, om hem kennis te laten maken met de chemische industrie in het algemeen. Deze peter kan wel helpen bij het uitwerken van de GIP, maar om het takenpakket mee op te volgen, is dit peterschap niet echt een goede oplossing.

Het begeleiden (“Hoe geef je de beste begeleiding") van de studenten is één zaak, maar er is natuurlijk ook het stuk van het evalueren. Als mentor word je geacht een objectief oordeel te vormen over de student die zijn werkplekblok bij jou heeft doorgebracht.

    De ons aangereikte app “MICOON”, voldeed totaal niet aan de verwachtingen:
  • Weinig of niet gebruiksvriendelijk
  • Interactie met student ontbrak
  • Aantal doelstellingen was een ellenlange lijst
  • Moeilijk om commentaren toe te voegen
  • Geen alerts wanneer de student wijzigingen of toevoegingen had aangebracht
  • Geen mogelijkheid om verschillende “user-schermen” naast mekaar te leggen, waardoor een vergelijking of zelfevaluatie zeer moeilijk was
  • Onoverzichtelijk
  • Enkel de laatste evaluatie werd bewaard, waardoor er geen evolutie of groeitraject zichtbaar was.

Kortom, het zou veel helpen, wanneer deze app op een meer gestructureerde manier zou werken of wanneer er een app zou beschikbaar gesteld worden waarin deze nadelen weggewerkt zouden zijn. Op dit moment is er al weerspannigheid om de app te gebruiken, wat de zin om er vaak en op de juiste manier mee te werken, zeker niet zal bevorderen.

Uit onze eigen ervaringen, hebben we ook geleerd dat het enorm zou helpen, wanneer het aantal begeleiders of mentoren beperkt zou blijven. Idealiter zou zijn dat er één mentor volledig ter beschikking gesteld wordt om deze studenten op een degelijke manier te begeleiden en mee de basis te leggen voor hun zelfontplooiing. Elke mentor, maar ook elke student, heeft een andere aanpak; wanneer je deze dan nog eens met mekaar gaat combineren, wordt het zeer moeilijk om objectief te gaan evalueren. De hoofdmentor is de contactpersoon en deze zorgt voor verdere communicatie met de ploegenmensen, school, …

    Ondanks de “kinderziekten” die er nog in dit hele traject zijn, zijn er zeker een aantal sterk positieve punten te melden:
  • De Mentoren worden zelf ook getriggerd om hun kennis bij te houden en regelmatig op te frissen. Het zou namelijk niet erg professioneel overkomen wanneer een student een vrij “eenvoudige” vraag stelt, waarop de mentor niet blijkt te kunnen antwoorden…
  • De studenten die dit duaal traject hebben afgelegd, zijn meteen goed “gescreend” om eventueel aangenomen te worden
  • De studenten worden volledig “gekneed” in de filosofie van het bedrijf; het zijn blanco bladen, die meteen de bedrijfscultuur aanleren en zich eigen maken. De keerzijde van de medaille is wel, dat ze op deze manier vrij eenzijdig begeleid worden en enkel het productieproces van hun bedrijf hebben leren kennen. Dit staat in contrast met het reguliere traject, waar er stage gelopen wordt op meerdere bedrijven en er dus een bredere algemene kennis wordt opgedaan.
  • Persoonlijk ben ik van oordeel dat we deze kansen, tot het aanwerven van bekwame en goed opgeleide mensen, niet aan ons voorbij mogen laten gaan… We zitten in een sector waar er bijna gevochten wordt voor de beste werkkrachten en wanneer wij het niet doen, zullen onze collega-concurrenten de mooiste appels voor onze neus wegplukken.

 

CHARTER

logo essencia

Dit Charter ambieert het kader te schetsen waarbinnen scholen, bedrijven, leerlingen en andere stakeholders opereren voor de duale variant van de opleiding Chemische Procestechnieken. De engagementen en principes die in dit Charter worden vastgelegd bieden een houvast en inspiratie om tot de operationele uitwerking van duaal leren binnen de opleiding te komen, met respect voor de eigenheid van alle betrokken partners. Het Charter beoogt hierdoor een versterking van het netwerk van bedrijven, scholen, partners en leerlingen die deelnemen aan de verdere uitwerking van duaal leren in de opleiding Chemische Procestechnieken. Op lange termijn beoogt het Charter een bijdrage te leveren aan de verankering van duaal leren binnen de opleiding chemische procestechnieken als duurzame opleidingsmethodiek.


Charter

COMMUNICATIE & LEREN OP AFSTAND

1. Onderzoeksvraag
Op welke manier kan de overgang van de schoolbanken en de werkplek zo klein mogelijk maken?

Uit de praktijk blijkt dat de huidige digitale technologie die nu beschikbaar is, niet voldoende is om deze leegte op te vullen. Daarom zijn we op zoek gegaan naar een nieuw digitaal platform om dit op te lossen.

De wedstrijd ‘IdeaalDuaal’, georganiseerd door Syntra Vlaanderen en de Vlaamse overheid, zocht ideeën om een brug te slaan tussen schoolbank en werkplek. Er werd op zoek gegaan naar de beste en meest vernieuwende ideeën om deze combinatie van leren en werken optimaal in te richten in de hedendaagse digitale wereld. We hebben als school dan ook geen moment getwijfeld om aan deze wedstrijd deel te nemen, om zo onze ideeën te kunnen verwezenlijken.

2. Bestaande digitale hulpmiddelen

2.1 Bestaande apps
Vandaag de dag bestaan er al heel wat apps die het makkelijker maken om met elkaar te communiceren. Toch blijkt uit ondervinding dat elk communicatiekanaal afzonderlijk niet volledig voldoet om de brug tussen schoolbank en werkplek te slaan. Hieronder worden een aantal voorbeelden besproken.

2.2 Mail
Dit communicatiemiddel wordt uitvoerig gebruikt door scholen en bedrijven om te communiceren met leerlingen. Het probleem is dat mails niet altijd consequent worden gelezen en beantwoord. Ook is het vaak moeilijk om via tekst iets correct over te brengen.

2.3 Videochat (Skype, Facetime, ...)
Videochat is een goede manier om face-to-face met iemand te communiceren zonder dat men deze persoon moet opzoeken. Via deze manier van communiceren zullen er minder snel misverstanden ontstaan. Het probleem met dit communicatiemiddel is dat niet iedereen beschikt over de juiste apps en/of dat ze niet tot heel weinig worden gebruikt.

2.4 Berichtendiensten (Whatsapp, Hangouts, Telegram, SMS,...)
Het versturen van berichten, al dan niet online, is waarschijnlijk de meest gebruikte vorm van communicatie vandaag de dag. Het probleem met dit communicatiemiddel is dat je overal en altijd bereikbaar bent, wat niet altijd is gewenst.

2.5 Agenda
Leerlingen hebben tijdens een duaal traject een dubbele agenda. Ze moeten zowel rekening houden met de agenda van school als de agenda van hun werkplek. Daarenboven moeten ook nog genoeg contactmomenten met de trajectbegeleider en mentor plaatsvinden. Door drukke agenda’s van mentoren, leerlingen en trajectbegeleiders is dit niet altijd evident.. Dit resulteert vaak in te weinig contactmomenten tussen de leerling, mentor en trajectbegeleider.

2.6 Linkedin
Via Linkedin kan je online een sociaal zakelijk netwerk opbouwen. Dit is zeer interessant bij het zoeken en vinden van een werkplek of werk. Het nadeel van Linkedin is dat het toegankelijk is voor alle bedrijven. Het is dus voor de leerlingen niet makkelijk om een bedrijf te vinden dat een duale werkplek aanbiedt. Omgekeerd is het voor de bedrijven ook niet makkelijk om via Linkedin duale leerlingen te vinden. Leerlingen weten vaak ook niet goed hoe ze zich moeten profileren op deze social media. De integratie van mediawijsheid in de lessen Nederlands en Engels is dus ook zeker van belang.

2.7 Micoon
Micoon wordt uitvoerig besproken in het onderdeel over evaluatie. Graag verwijzen we u hier naartoe.

3. Winnaars ideaal duaal

The Discovery app - UNILIN:
Een probleem in het duaal leren is de overgang van de theorie naar de praktijk. Om deze overgang te vergemakkelijken kwam UNILIN met ‘The Discovery App’. Met deze app kan je met behulp van virtual reality al eens kennis maken met de praktische kant van het duaal leren alvorens je naar je werkplek gaat. Deze app kan dus een grote meerwaarde bieden in het duaal leren.
UNILIN

iDuaal - BASF Antwerpen
Met de iDuaal app wil BASF Antwerpen de administratieve zaken die gepaard gaan met het duaal leren bundelen. Op deze manier wordt het voor alle betrokken partijen makkelijker om deze zaken bij te houden en te controleren.
iDuaal

Kazi voor duaal leren - Kazi
Het vinden van een duale werkplek is niet voor alle leerlingen even evident. Kazi wil met hun app ‘Kazi voor duaal leren’ hier iets aan doen. In de app dienen zowel de leerlingen en bedrijven een vragenlijst in te vullen. Deze vragen hebben betrekking tot wat ze zoeken in hun werkplek en wat ze graag zouden willen doen. Aan de hand van de antwoorden gaat de app dan leerlingen en bedrijven aan elkaar matchen.
Kazi

4. Ideeën voor apps

Met bovenstaande bevindingen in het achterhoofd is er gebrainstormd. Hieruit vloeiden de volgende ideeën voort:

Matching (Match & Learn)

Via ‘Match and Learn’ worden zowel duale leerlingen als duale bedrijven ondersteund bij het invullen van hun werkplek. ‘Match and Learn’ probeert de leerlingen en bedrijven die naar elkaar op zoek zijn, met elkaar in contact te brengen via een sociaal platform. Hierdoor komen leerlingen veel makkelijker in contact met een grote groep bedrijven en omgekeerd komen bedrijven makkelijker in contact met een grote groep leerlingen.

Door het ingeven van een aantal zoekcriteria, kunnen zowel duale leerlingen als bedrijven hun ideale kandidaat vinden. Dit gebeurt op basis van het profiel van de leerling en het bedrijf. De leerlingen en bedrijven kunnen op dit profiel kwijt wie ze zijn, waar ze naar op zoek zijn en/of wat ze graag willen bereiken. In de huidige maatschappij wordt regelmatig gebruikt gemaakt van social media in sollicitatieprocedures. Door gebruik te maken van ‘Match and Learn’ kunnen de leerlingen in een eenvoudige, veilige en afgeschermde omgeving kennis maken met dit nieuw gegeven. Zo leert de leerling op welke manier hij of zij zich best online kan profileren om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

We merken dat er nood is aan een platform waar leerlingen op zoek kunnen gaan naar een duale werkplek en waar leerlingen kunnen leren hoe ze zich online moeten profileren.
schema app match & learn

Communicatie app

Om het duaal leren goed te laten verlopen, is een goede communicatie nodig tussen de drie betrokken partijen, namelijk de school, de leerling en de werkplek. Om dit te bereiken is een eenvoudig en eenduidig platform nodig dat toegankelijk is voor de leerlingen, scholen en bedrijven. Dit platform zal beschikken over chatfuncties waarin men zowel één tegen één als in groep berichten kan verzenden. Deze app zal eveneens beschikken over een functie waarmee men kan videobellen.

Ook zullen alle werkroosters en agenda’s van alle betrokken partijen voor zowel leerling, trajectbegeleider en mentor zichtbaar moeten zijn. Dit zal het inplannen van de contactmomenten eenvoudiger maken. Men kan dan vanuit dezelfde app alle agenda’s raadplegen en het contactmoment vastleggen.
schema app communicatie

Online Leerplatform

De stap van iets theoretisch bestuderen en het in de praktijk uitvoeren is vaak heel groot. Om deze stap te verkleinen kan een online leerplatform een hulpmiddel zijn. Het implementeren van een online leerplatform kan helpen om leerdoelen te bestuderen met behulp van video’s en animaties. Het leerplatform zal de leerlingen ondersteunen bij de overgang van theorie naar praktijk. Ook bestaat de mogelijkheid om leerdoelen, die mogelijk niet in praktijk kunnen worden aangeboden, toch te behandelen zonder ze enkel uit een boek te moeten studeren.

Opdrachten die leerlingen moeten maken tijdens het werkplekleren, kunnen eveneens op dat platform gemaakt en geëvalueerd worden. Op deze manier zullen de leerlingen van elkaar kunnen leren met de ondersteunende hulp van de leerkrachten en mentoren. De begeleiding van de leerlingen door de leerkrachten wordt geoptimaliseerd en het wordt voor de leerkrachten gemakkelijker om ondersteuning aan te bieden.
schema app leerplatform

Evaluatie app

De app voor evaluatie wordt uitvoerig besproken in het volgende hoofdstuk over evaluatie.
schema app match & learn

 

EVALUEREN

1. Probleemstelling

Traditioneel evalueren met toetsen en taken is onvoldoende in een 7e jaar Se-N-Se chemische procestechnieken omdat niet elke leerling op hetzelfde ogenblik dezelfde leerstof krijgt aangereikt.

Bij traditionele evaluatiemethoden resulteren veel kleine evaluaties in één score per vak, die uiteindelijk bepalend is tijdens de delibererende klassenraad . Leerlingen zullen op deze manier vaak selectief studeren, wat betekent dat leerstof die hen minder goed ligt, geschrapt wordt. Dit traditioneel systeem van evalueren vraagt veel opvolging indien je het als leraar/evaluator correct wil doen. De leraar/evaluator moet leerlingen met minder goede resultaten remediëren. In dit proces is de leerling eerder passief. Het eindstation (50%) behalen, is vaak wat telt. Vanuit pedagogisch oogpunt werkt evalueren met cijfers minder motiverend.

2. Voorwaarden evaluatiesysteem

    Aan welke voorwaarden moet een goed evaluatiesysteem voldoen?
  • Een leerling moet meer betrokken worden bij zijn/haar evaluatie en remediëring. Hij/zij moet zich eigenaar voelen van zijn eigen evaluatieproces.
  • Het moet overzichtelijk en motiverend zijn door bv. te werken met kleuren en bijbehorende feedback i.p.v. met cijfers.
  • Het moet gebruiksvriendelijk zijn. De werklast voor de leraar/evaluator moet beperkt blijven.
  • De tijdspanne tussen handeling en evaluatie moet zo kort mogelijk zijn.
  • Mogelijkheid tot zelfevaluatie.
  • Het evaluatieproces moet voor elke betrokkene zichtbaar zijn.
  • Het moet bruikbaar zijn in meerdere studierichtingen en niet enkel in duaal leren, zodat scholen en/of bedrijven niet met meerdere systemen hoeven te werken.
  • Een leerling moet meer betrokken worden bij zijn/haar evaluatie en remediëring. Hij/zij moet zich eigenaar voelen van zijn eigen evaluatieproces.
  • Het moet overzichtelijk en motiverend zijn door bv. te werken met kleuren en bijbehorende feedback i.p.v. met cijfers.
  • Het moet gebruiksvriendelijk zijn. De werklast voor de leraar/evaluator moet beperkt blijven.
  • De tijdspanne tussen handeling en evaluatie moet zo kort mogelijk zijn.
  • Het evaluatieproces moet voor elke betrokkene zichtbaar zijn.
  • Het moet bruikbaar zijn in meerdere studierichtingen en niet enkel in duaal leren, zodat scholen en/of bedrijven niet met meerdere systemen hoeven te werken.

3. Bestaande digitale evaluatiesystemen

Er zijn talrijke evaluatiesystemen in gebruik. Toch hebben wij ons beperkt tot 2 systemen die enigszins beantwoorden aan bovenstaande eisen.

Micoon

Micoon werd speciaal ontwikkeld door Volta en Syntra voor het evalueren van duale leerlingen en beantwoordt aan vrij veel van de vooropgestelde eisen.

DISC

Tijdens schooljaar 2017-2018 testten we Micoon in het 7e jaar chemische procestechnieken. Vooral de voortgangsbalk en het gebruik van kleuren werden als zeer positief ervaren, maar we ontdekten eveneens een aantal minpunten.

  • Vrij oude programmeertechniek waardoor het scherm zich niet gemakkelijk aanpast aan het gebruikte medium.
  • Als leraar/evaluator krijg je geen melding van de competentie die een leerling zelf heeft geëvalueerd, maar moet je die zoeken in de lange lijst van evaluatiecriteria, wat zeer tijdrovend is.
  • Het evaluatieproces is niet zichtbaar.
  • De evaluatie van de leerling en leraar/evaluator zijn niet samen zichtbaar. Op deze manier verdwijnt het belang van zelfevaluatie.

4. Eigen ontwikkeld systeem

In het schooljaar 2016-2017 werkten wij in de afdeling hout met online spreadsheets. De jaren voordien hebben wij de met papieren versies gewerkt om competenties te evalueren. Uit deze data massa konden dan moeilijk conclusies getrokken worden. Digitaal werken is dus een absolute must.

Elke leerling had een eigen leerlingevaluatietool en elke vakleerkracht had een leerkrachtevaluatietool. De leerling doet een handeling en evalueert zijn of haar werk. Van dit cijfer krijgt de evaluator dan een melding waardoor hij/zij meteen ziet waar de leerling aan gewerkt heeft. De leerlingen kunnen allemaal met verschillende lesonderdelen/projecten bezig zijn.

    Ook hier ondervonden we enkele minpunten:
  • Door gebruik te maken van hoofdcriteria, subcriteria en subsubcriteria was het voor de leerling niet gebruiksvriendelijk.
  • De lijst met criteria die de evaluator ontving was telkens zeer lang en bijgevolg niet overzichtelijk.
  • Uit de cijfers (0, 1, 2 en 3) werd een totaal berekend wat weer leidde tot selectief studeren/handelen.

    Toch had dit systeem ook zeer grote voordelen:
  • Via de sterkte/zwakteanalyse kon de leerling dadelijk zijn/haar werkpunten zien. De leerling voelde zich duidelijk meer betrokken met zijn/haar evaluatieproces.

Vooral dankzij deze sterkte/zwakteanalyse hebben wij beslist dit systeem verder uit te werken. We organiseerden wekelijks meetings met “ervaringsdeskundigen” om te bespreken hoe we best evaluatiecriteria opstellen.

    Volgende aanpassingen hebben wij inmiddels uitgevoerd:
  • Enkel gebruik maken van hoofd- en subcriteria. Dit systeem hebben wij getest tijdens schooljaar 2017-2018 in het 5e jaar duaal leren elektromechanische technieken. Ook hier werd gebruik gemaakt van een leerlingenvaluatietool en leerkrachtenevaluatietool. In deze klas werd ook het gebruik van kleuren i.p.v. cijfers getest.
  • Niet meer werken met cijfers maar wel met kleuren en figuren waarbij elke kleur en figuur een gepaste betekenis heeft. Dankzij de opmerkingen van de ervaringsdeskundigen tijdens de plenaire vergaderingen hebben wij ook voor lichtgroen en donkergroen gekozen zodat leerlingen ook nog uitgedaagd worden als zij deze competentie reeds onder de knie hebben:
    • roodMet hulp heb je een deel van deze criteria nog niet tot een goed einde gebracht.
      Extra uitleg vragen en oefenen/studeren.
    • geelZonder hulp heb je een aantal van deze criteria tot een goed einde gebracht.
      Je beheerst dit deel van de doelstelling goed. Op naar de volgende.
    • licht groen Alle delen van dit criteria heb je zonder hulp tot een goed einde gebracht.
      Je beheerst deze doelstelling volledig.
    • donker groen Alle delen van dit criteria heb je zonder hulp tot een goed einde gebracht en zelfs meer dan gevraagd.
      Je legt dit criteria aan andere leerlingen verstaanbaar uit.
    • Het gebruikte ICT-platform moet idiot proof zijn. Daarom opteerden wij ervoor om de spreadsheets te vertalen naar een gebruiksvriendelijke app. Eerst volgden wij een opleiding “appsheet”, waarna Richard een vertaling maakte van de reeds ontwikkelde evaluatietool. Een eerste leerlingen-app een een leerkrachten-app was een feit.
    • Na een geslaagde testfase van deze apps is er een vertaling gemaakt naar een professionele app genaamd SZAPP (Sterkte Zwakte APP).
      SZAPP app

      Het basisidee bleef steeds hetzelfde. Een bijhorende handleiding vind je terug via onderstaande link.

      handleiding
    • Een belangrijke opmerking die uit de wekelijkse vergaderingen naar voor kwam, is dat de evaluatiecriteria niet te specifiek mogen zijn. Anders creëer je een te lange lijst van criteria.
    • Voor praktische handelingen wordt de leerling de mogelijkheid geboden om een foto van zijn/haar werk toe te voegen aan zijn/haar zelfevaluatie. Ook een verwijzing naar hun geleverde werk in de vorm van een link is een mogelijkheid (kan bv. een google document of youtube link zijn). Zo verzamelt deze app het geleverde werk van de student en is dit snel traceerbaar voor de evaluatoren.
    • Het opstellen van hoofd- en subcriteria vraagt om duidelijk overleg binnen de vakgroepen en met de mentoren. Bij het opstellen van evaluatiecriteria houdt men best rekening met de taxonomie van Bloom (1956) gereviseerd door Anderson & Krathwohl (2001).
      taxonomie van Bloom
      https://thesecondprinciple.com/teaching-essentials/beyond-bloom-cognitive-taxonomy-revised/
    5. Ervaringen Vynova

    Als mentor word je geconfronteerd met het feit dat je de studenten ook moet gaan evalueren en een eindbeoordeling moet gaan geven, die de rest van hun leven kan gaan bepalen. Uiteindelijk is een beoordeling nog altijd een menselijk, en dus subjectief gegeven, waarbij het “lot” van de student voor een groot deel in handen van de mentor wordt gelegd.

    Doel is om die beoordeling toch zo objectief mogelijk te doen, maar wat is nu eigenlijk objectiviteit?

      Objectief = gebaseerd op feiten en niet op een mening. Hiermee bedoelen we dat:
    • Je je niet laat leiden door persoonlijke voorkeur of afkeur, ook niet door geruchten of meningen van derden
    • Je geen vooringenomen standpunt inneemt, maar je bent onpartijdig en onbevangen
    • Voor iedereen dezelfde maatstaven gelden en er niet met twee maten gemeten wordt.
    • Helaas bestaat er geen tool om over de hele sector heen tot eenzelfde manier van beoordelen te komen. Maar toch dient deze beoordeling zo eerlijk en oprecht mogelijk te zijn.

    Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat we met z’n allen zo die objectiviteit zo dicht mogelijk benaderen?

      Bij de beoordeling van de studenten spelen een aantal zaken een belangrijke rol:
    • Beoordeling van harde criteria, zoals het bereiken van een bepaald objectief of waarneembaar gedrag (vb. te laat komen, vaak fouten maken tegen veilig gedrag, het afleveren van opdrachten, uitvoeren van taken…) Hierbij is er geen sprake van interpretatie of subjectiviteit: de beoordeling is ofwel positief of negatief, gebaseerd op feiten.
    • Beoordeling van zachte criteria, zoals attitude of motivatie. Voor deze criteria is objectiviteit zo goed als onmogelijk; de eigen perceptie zal hier altijd een rol spelen. Wanneer de mentor zelf bijzonder accuraat, nauwkeurig en precies is, kan het al snel gebeuren dat de eigen instelling en normen maatstaf worden voor de student. Is de mentor bijzonder actief, proactief, grensverleggend en ambitieus, dan is het niet ondenkbaar dat de student sneller als passief wordt beoordeeld.

      Om tot een zo eerlijk en objectief mogelijke beoordeling te komen, is het uiterst belangrijk om op voorhand afspraken te maken rond de manier van beoordelen:
    • Hoe dienen taken uitgevoerd te worden?
    • Hoe zit het met het nemen van verantwoordelijkheden door de student?
    • Welke doelstellingen dienen er behaald te worden?
    • Welke opleidingen moet het bedrijf nog extra voorzien voor de student?
    • Welke attitude en beroepshouding wordt er verwacht van de student?

    Wanneer deze afspraken duidelijk zijn voor alle betrokkenen, komt dit de objectieve beoordeling zeker ten goede. Voor de student worden de verwachtingen duidelijk en zal hij weten waar hij naartoe moet werken.

    Uiteindelijk is functioneren een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de mentor en de student. Als mentor kan je bijvoorbeeld motivatie bevorderen, maar ook heel snel afbreken: de juiste manier van aansturing maakt hierin een wereld van verschil!

    Om dit te bewerkstelligen, zijn regelmatige beoordelingsgesprekken zeker een must. Indien nodig, kan er meteen worden bijgestuurd aan de hand van dit gesprek. Als leidraad voor het beoordelingsgesprek kan het “GROW-model van Whitmore” worden gebruikt
    GROW-coaching-model

      Dit model is gebaseerd op de volgende basis:
    • Goals:
    • Welke waren de afgesproken leerdoelen?
    • Welke zijn getoetst en op welke manier
    • Welk resultaat wil je bereiken?
    • Reality:
    • Welke leerdoelen werden gerealiseerd?
    • Hoe heb je dit bereikt (voorbeelden)?
    • Wat was het resultaat?
    • Welke zijn de sterke / aandachtspunten?
    • Welke competenties zijn wel / niet verbeterd?
    • Hoe heeft de student de leerperiode ervaren?
    • Options:
    • Wat wil de student anders gaan doen en waarom?
    • Hoe kunnen de valkuilen worden voorkomen
    • Hoe gaat de student de aandachtspunten verbeteren?
    • Hoe zullen we dit beoordelen?
    • Welke risico’s / uitdagingen liggen er nog voor de student?
    • Welke risico’s ziet de student / mentor? Hoe ondervangen we deze?
    • Wat zou de mentor anders kunnen doen?
    • Will do:
    • Welke acties / afspraken zijn er nodig op basis van bovenstaande?
    • Wie doet wat en wanneer?
    • Wanneer vindt de volgende beoordeling plaats (bij tussentijdse)?

    Met deze ideeën in ons achterhoofd, hebben wij bij Vynova we het idee opgevat om naar volgend jaar toe elke student één vaste mentor toe te kennen, maar de overkoepelende beoordeling over te laten aan een “hoofdmentor”, die op regelmatige basis samenzit met alle betrokken om zo een globaal beeld te krijgen van de student en op die basis onbevooroordeeld een beoordeling kan geven. Deze hoofdmentor zal ook de contactpersoon zijn met de school, en zal met de andere mentoren de taken, oefeningen, attitude van de student bespreken en waar nodig ook bijsturen.

    De persoonlijke mentor dient er tijdens de werkplekperiodes op toe te zien dat de student zo goed mogelijk voorbereid wordt op zijn eindwerkverdediging. Het is de mentor die een oogje in het zeil houdt of de student de beoogde doelstellingen zal halen en of alle aspecten, die vooropgesteld werden in het jaarplan, ook effectief aan bod zijn gekomen, hetzij op de werkplek of eventueel via zelfstudie. Op de verdediging van hun eindwerk zullen zij namelijk vragen krijgen over alle aspecten van de job…

    Voor deze presentaties van de eindwerken, bestond de jury uit leerkrachten, maar ook uit personen uit het bedrijfsleven. Wijzelf als mentoren van deze studenten, werden ook uitgenodigd mee te zetelen in de jury, wat we zelf als heel positief hebben ervaren. De student voelt zich wat gesteund en de leraren en andere juryleden kunnen bij onduidelijkheden rekenen op de kennis van de mentor.

    Feedback – Tips & Tricks:
    Feedback:
    • Te korte tijd om iedereen te zien en te “testen”
    • Heel intensieve periode van gesprekken, testings, ...
    • De manier waarop wij hebben gewerkt, met een overlegmoment tussen school en verschillende bedrijven, werd heel positief onthaald; de bedrijven konden hierdoor hun “gevoel; eerste indruk” over de jongere met de school aftoetsen
    • Project staat duidelijk nog in de kinderschoenen
    • Nog heel veel werk aan de winkel om alles te uniformiseren
    • Het belang van de mentor wordt zwaar onderschat
    • Jaarprogramma is zeer zwaar en uitgebreid
    • Evaluatietool Micoon was zeker niet de meest gebruiksvriendelijke en handige app.

    Was dit de ideale manier van werken? Zeker niet...

    Hadden we het op een andere manier kunnen regelen? Door het gebrek aan ervaring hadden we het dit jaar zeker niet anders kunnen regelen. Naar volgend jaar toe, zullen we een aantal dingen toch op een andere manier gaan aanpakken, maar daarvoor is er nog heel wat werk aan de boeg…

    Wanneer we duaal leren echt ingeburgerd willen krijgen en op grote schaal willen motiveren, moet dit zeker op een andere manier georganiseerd worden.

    Vanuit onze sectorfederatie Essenscia is er het voorstel gekomen om, naar analogie met de jobbeurzen, een dag te organiseren waarbij alle geïnteresseerde bedrijven een stand hebben en waar de studenten dan hun eerste contacten kunnen leggen met de bedrijven. Vanuit dat eerste contact kunnen dan de vervolgtrajecten afgesproken worden en de verdere afspraken met de bedrijven gemaakt worden. Op deze manier hopen we dat het proces van matching veel sneller en vlotter zal kunnen verlopen. Ideaal gezien, zou deze "Duale Beurs" dan plaatsvinden op het einde van het schooljaar dat voorafgaat aan het duale traject. Maar ook hier weer blijft de vraag of je alle studenten op die manier kan bereiken.

    Tips & tricks:
    • Aanbeveling naar Syntra: zorg dat de registratie als werkplek veel sneller, vlotter en vooral gebruiksvriendelijker kan gebeuren. Iets wat niet vlot loopt, is niet aanlokkelijk en zal veel sneller op weerstand botsen.
    • Start zeker op tijd met het hele traject; de tijd die je krijgt, heb je zeker nodig
    • Zorg voor voldoende spreiding in de tijd om de druk / werklast te verminderen
    • Probeer om uniformiteit te brengen in de wijze waarop het assessment gebeurt; geef een richtlijn aan waarbinnen gewerkt dient te worden, zodat er geen al te grote verschillen ontstaan in de manier waarop de jongeren “beoordeeld” worden.
    • Zorgen voor een uitgebreide opleiding tot werkplekcoach, in samenwerking met Sectorfederaties, zeker op tijd beginnen met deze aan te bieden. Beperk het aantal hoofdmentoren, maar zorg voor voldoende begeleiders op de verschillende afdelingen.
    • Zorg voor een goede planning en leg op voorhand de evaluatiemomenten vast en zorg dat hiervoor voldoende tijd wordt uitgetrokken.
    • Zorg voor een “vertrouwenspersoon” voor de leerling; te veel begeleiders maken het verwarrend en zorgen voor versnipperde informatie. Deze hoofdmentor staat in voor de verdere communicatie met de afdeling, school, regelt de afspraken met andere afdelingen (vb. onderhoud voor doelstellingen rond meet- & regeltechnieken, …)
    • Zorg voor opdrachtfiches voor de werkplekblokken. Maak de studenten verantwoordelijk voor hun opdracht en zorg voor betrokkenheid bij het bedrijf! Op deze manier kan je de praktische opleiding sturen, opvolgen en begeleiden.
    • Een gedegen “onthaalbeleid” is enorm belangrijk; zorg ervoor dat de student zich welkom voelt en maak hem meteen vertrouwd met de medewerkers waarbij hij terecht moet kunnen voor vragen (kennismaking met de fabriek, verschillende afdelingen, veiligheidsinfo, noodplannen, ...-)
    • Zet, indien mogelijk, de studenten ook op een andere productie-eenheid in (periode 1 bv. MVC, periode 2 Elektrolyse) om hen met verschillende productieprocessen te laten kennismaken. Dit geeft hen de kans om het verschil in afdeling, maar ook werkomgeving en mentaliteit, te ervaren en zorgt ook voor meer mogelijkheden om hun theorie in praktijk om te zetten, ( ELY werkt bv met pekel en javel filters, op MVC bijna geen filters enz...
    • Naar de overkoepelende instanties zouden we willen meegeven dat het, naast het organiseren van opleidingen “Mentorschap op de werkvloer”, misschien wel een idee zou zijn om een opleiding te voorzien in het Objectief beoordelen en evalueren van studenten. Stel werkgroepen samen en ga eens rond de tafel zitten om objectieve criteria te gaan vastleggen en werk deze uit in een handleiding voor mentoren.

    Wanneer we deze punten in acht nemen, zal er minder druk rusten op de schouders van de instructeurs; zij hoeven zich niet meer bezig te houden met administratie van beoordelingen enz… Dit gebeurt door de mentor, op basis van regelmatige overlegmomenten, waarbij opdrachten besproken worden en verdere planning afgestemd kan worden.

     

    LEERINHOUD

    1. Algemeen

    Door het grote aantal leerdoelen die op het bedrijf moeten behaald worden, wordt er veel druk gelegd op de studenten. Vooral tijdens de eerste periode van werkplekleren veroorzaakt dit veel stress, omdat de leerlingen nog niet voldoende voorbereid zijn en overdonderd worden door heel het gebeuren. Alleen al de integratie in een ploeg en het leren kennen van de installatie is een heuse opdracht. Enerzijds moeten de studenten de vrijheid krijgen om te beslissen wanneer ze bepaalde stageopdrachten uitwerken, anderzijds zorgt diezelfde vrijheid er voor dat leerlingen snoeien in hun opdrachten en bijgevolg het leertraject soms onderbreken of zelfs afhaken.

      Oplossing:
    • Het aantal stageopdrachten, gekoppeld aan de leerdoelen, beperken zodat dit beter haalbaar is.
    • Tijdens labo-opdrachten op school de studenten voorbereiden op zelfstandig werk door simulatiesoftware te gebruiken met praktijkgerichte opdrachten, zoals process studio en door trainingsmodules te gebruiken zoals die van Lucas Nülle.
    • Een aantal opleidingsdagen bij ACTA vroeger tijdens het schooljaar plannen zodat de studenten zelfzekerder worden en meer zelfvertrouwen krijgen.
    • Om de voorbereiding voor de 7 opleidingsdagen bij ACTA zo goed mogelijk te laten verlopen, blijft een duidelijke volgorde nodig.
    • Er is nood aan projecten en vakoverschrijdend werk.

    De leerinhoud op het bedrijf is dikwijls te theoretisch of sluit niet voldoende aan bij de opdrachten van een procesoperator.

      Oplossing:
  • De stageopdrachten aanpassen in samenspraak met de stagementoren en ervaren procesoperatoren.
  • Andere diensten binnen het bedrijf hierin betrekken (onderhoudsdienst, instrumentatie, labo).
  • 2. Erasmusduaal

    Aangezien het niet voor elke leerling mogelijk is om alle leerdoelen te behalen op school en bij de bedrijven, bezochten we in december het SBGD in Dresden Duitsland. Dit is een opleidingscentrum voor studenten en werknemers uit de chemische sector. Omdat er tal van mogelijkheden waren, beslisten we om onze leerlingen daar, via Erasmusduaal, in juni een 10-daagse opleiding te laten volgen. Zo zullen ze toch allemaal alle leerdoelen kunnen aanvinken.
    De eerste 4 dagen van de opleiding hebben de leerlingen allemaal aan dezelfde opstelling gewerkt (Foto hieronder).
    opstelling opleidingscentrum SBGD

    De leerlingen hebben zich tijdens deze dagen vertrouwd gemaakt met de installatie door het vullen en ledigen van de vaten.

    3. Cursus

    In alle cursussen werden er grote delen naar het bedrijf verschoven, andere delen worden op school behandeld. Bijvoorbeeld in de cursus meet- en regeltechniek is de blok meettechniek volledig naar het bedrijf verschoven. Tijdens het werkplekleren verliezen studenten echter te veel tijd om deze theorie onder de knie te krijgen.

    Oplossing: Een betere mix uitwerken, waarbij de puur theoretische leerstof op school wordt aangereikt, via labo-opdrachten en kleine projecten om zelfstandig werk aan te moedigen. De cursussen aanpassen in de lijn van de opdrachten op het bedrijf en de opleidingen bij ACTA.


    CONCLUSIE

     

    Het hele gebeuren rond Duaal leren kan voorgesteld worden als de levenscyclus van een appelboom:

    Vanuit de regering wordt het duaal leren steeds meer gestimuleerd; met andere woorden, de subsidies (grond - ruimte) zorgen ervoor dat de basis (appelbomen) gelegd wordt.

    Vervolgens zorgt de Sectorfederatie voor de start (planten) van dit systeem door dit kenbaar te maken bij de vele bedrijven (klanten)

    Samen met alle partners (scholen, bedrijven, sectorfederaties (Essenscia)) zorgen we voor de verspreiding (bestuiving) en stimuleren we de jongeren om te groeien en in dit traject in te stappen (de bloesems).

    Eens van start gegaan, is het aan de scholen om ervoor te zorgen dat de leerlingen alle theoretische kennis en theorie rond CPT krijgen (meststoffen) om te evolueren naar een arbeidsrijpe student (de jonge appel).

    Tijdens het groeiproces kunnen de bedrijven dan mee verder helpen (besproeien, verzorgen) door te voorzien in de praktische ontwikkeling en begeleiden en ervoor te zorgen dat de valkuilen (aantasting van de oogst) geminimaliseerd worden. Dit doen ze door kort op de bal te spelen en de student goed op te volgen in samenwerking met de scholen. Een goede begeleiding (zon) is onontbeerlijk, zowel op school als op het bedrijf.

    Als dit proces goed opgevolgd wordt en ieder zorgt voor zijn stukje van de ontwikkeling, in samenspraak met de andere partners, groeien deze studenten uiteindelijk uit tot volwaardige kandidaat Procesoperators (de lekkere rijpe appel) waarnaar men als bedrijf (klant) op zoek is.

    Nu, elk bedrijf heeft zijn boom en sommige jaren heeft de ene boom al wat meer succes dan de andere boom of heeft de klant minder appels nodig dan dat er aan zijn boom hangen. In dat geval is een goede samenwerking tussen de bedrijven nodig om vruchten te gaan plukken aan een andere boom, of vruchten van de eigen boom te laten plukken.. ( ook de sectorfederatie kan hier een grote rol in spelen..)

    Daarom is het ook belangrijk dat zowel de scholen als de bedrijven trachten over te gaan tot eenzelfde beoordeling ( vastleggen van beoordelingen tbv geslaagd of niet, wie en hoeveel verantwoordelijkheid ) zoals de keurders van het fruit in de veiling.

      Niemand heeft baat met vruchten die
    • niet gevoed worden ( gebrek aan theorie)
    • niet goed gerijpt zijn , verantwoordelijkheid van de bedrijven en
    • gevallen zijn en in het gras bederven. Deze kans is minimaal, gezien Chemische Procesoperator steeds meer een knelpuntberoep wordt

    Hopelijk zullen we steeds meer in dit proces evolueren en meer studenten krijgen die in dit traject stappen (meer bomen in de boomgaard en dus meer appels). Dus is het natuurlijk noodzakelijk dat er een optimale verstandhouding is en blijft tussen de verschillende betrokken partijen (appelboer, verzorgers, klanten) om dit tot een succes te laten uitgroeien.